Myrte (18) gaat sinds twee jaar naar de voedselbank. Daar heeft ze het soms best moeilijk mee. Bang om uitgelachen te worden, durft het niet met haar vriendinnen te bespreken. Maar waarom eigenlijk die shame? Aan CG! vertelt ze haar verhaal.

‘In mijn vroege kindertijd heb ik niets gemist, mijn ouders hadden een bedrijf en we hadden het goed. We konden elk jaar op vakantie en met verjaardagen werd ik ontzettend verwend. Als klein meisje weet je natuurlijk niet of je ouders veel of weinig geld hebben, maar op de foto’s van vroeger zie je dat we geen geldzorgen hadden. Toen mijn ouders gingen scheiden, veranderde dat volledig. Mijn vader wilde graag eigenaar blijven van hun bedrijf en in ruil mocht mijn moeder de kinderen ‘hebben’. Mijn moeder nam heel graag de zorg op zich en mijn vader zou zijn kinderen met kinderalimentatie financieel ondersteunen. Mama had vroeger haar eigen onderneming gehad en ging daarmee verder, daarbij zorgde ze voor ons. Niet lang daarna werd mijn moeder vaak ziek en was ze continu moe. Ze bleek een chronische ziekte te hebben en moest stoppen met werken. Mijn vader liet zich ook steeds minder vaak zien en zijn financiële ondersteuning kwam vaker niet dan wel.’

Geen geld voor melk

‘Toen mijn zus 18 werd, stopte de alimentatie die mijn vader voor haar moest betalen. Ik was toen 16. Het betekende weinig, want we hadden het de jaren ervoor bijna niet ontvangen. Hoewel mijn vader door rechters wettelijk verplicht werd om voor mij en mijn zus te zorgen, ontsprong mijn vader steeds de dans. Mama probeerde al jarenlang met hulp van trajecten steeds opnieuw te werken, maar elke keer moest ze vanwege haar ziekte stoppen. Maar met de volwassen leeftijd van mijn zus, vielen er ook een aantal subsidies weg. Mijn zus en ik ondersteunden onze moeder wel financieel, maar daar konden we alleen de rekeningen van betalen. Voedsel konden we soms niet kopen, even relaxed shoppen en vakanties met vriendinnen was no option. Ik realiseerde me dat we arm waren, toen we een keer geen melk konden halen. Ik zat toen net op de hogeschool. Diezelfde week nam mijn moeder contact op met de voedselbank. Ze had al eerder op de site gekeken, maar vond de stap voor een afspraak maken te groot. Nu moest ze wel. Pas toen we een goedkeuring kregen, vertelde ze het aan mijn zus en mij. Mijn zus vond er weinig van, maar ik vond het heel spannend. Wat als mijn vriendinnen erachter zouden komen?’

Schaamte

‘Ik was blij dat we eten kregen. Niet alles van het eten is nog goed en dat moeten we dan ook weggooien, maar je gewoon geen zorgen hoeven maken over brood of melk voelt zo fijn! Er viel een enorme last van mijn schouders, maar ik schaamde me wel. Nog steeds. Vaak hoor ik mensen grapjes maken over de voedselbank… Wat als mensen er achterkwamen dat wij daar afhankelijk van zijn, wilden ze dan nog wel met mij omgaan? Zouden ze er achter mijn rug om over kletsen? Natuurlijk weet ik dat niemand mij in mijn gezicht zal uitlachen, maar ik ben bang dat ze vragen waarom we hulp krijgen. Ik wil niet dat mensen weten dat mijn vader niet voor ons wil zorgen, ik vind dat ongemakkelijk. Voor mijn moeder was ik het bangst, want je hoort weleens dat mensen niet begrijpen waarom zieke mensen geld krijgen en noemen hen dan lui. Ik weet natuurlijk dat mijn moeder het heel erg vindt dat ze niet kan werken, maar de buitenwereld heeft geen idee wat er aan de hand is. Dat gaat ook niemand iets aan. Ik ben wel blij dat ik minder zorgen heb door de voedselbank en dankbaar dat er zoiets bestaat. Maar ik schreeuw liever niet van de daken dat wij het nodig hebben.’

LEES OOK