Of niet?

Zucht, de vrijdag. De dag van de week dat je het weekend al kunt ruiken en het liefst zo snel mogelijk de doordeweekse dagen gedag zwaait. Het liefst geef ik zo’n harde tik aan de klok dat het opeens vrijdagavond is, maar helaas voor mij is dat niet mogelijk. Ik zal de ochtend en middag eerst moeten overleven, wil ik zegevierend het weekend ingaan.

Jammer genoeg is dat overleven makkelijker gezegd dan gedaan. Ik zie de vrijdagochtend als het evil broertje van de maandag, de vrijdagmiddag als de hel en de lessen op deze dagdelen als duivels. Niet te doen gewoon. Gelukkig ben ik niet de enige die daar zo over denkt.

Dat bleek meteen uit de opkomst van de les om exact half 9 ‘s morgens. De enige leerlingen van de klas die wél op tijd aan kwamen lopen waren degenen die óf overenthousiast waren, óf zo strijdlustig waren dat ze zelfs een ochtend op de vrijdag aankonden. Ik was geen van beiden. Ik had eigenlijk geen idee waarom ik er wel was. Gewoon, omdat het kon.

Ondanks dat het algemeen bekend is dat studenten op de vrijdag opeens niet kunnen komen, blijven de docenten naïef. En zo ook mijn leraar, die met een beteuterd gezicht naar het minuscule groepje voor zich keek. 'Hebben jullie hierna geen les meer ofzo, dat er zo weinig mensen zijn?' Nee meneer, op vrijdagochtend komen wij studenten niet. Dat is gewoon zo. Deal with it. Wil je als leraar zijnde toch een volle klas voor je hebben die er niet hersendood uitziet? Verschuif de les dan as soon as possible naar een dag als dinsdag. Dan maak je op zijn minst nog een beetje kans.

Niet alleen aan onze houding, maar ook aan de gespreksvoering was te merken dat het een zware ochtend was. Zo liep er een gezette vrouw langs die perfect paste in de categorie klagende huisvrouw. Briesend van woede liep ze via het koffieapparaat langs me heen, en gelukkig voor mijn humeur kon ik haar uitgespuugde zin nog net horen: 'Oh, er is hier wél koffie? Zoek ik me helemaal kleurenblind, staat dat verrekte klereding helemaal hier!'

Mijn klasgenootje, ofwel metgezel in de strijd van de vrijdagochtend, kon er ook wat van. Terwijl we ons zaten te vergapen aan doelloze internetsites, gooide ze plotseling haar handen in de lucht en riep met een serieus gezicht: 'Jezus, ik loop al de hele dag te frikadellen!' Ik snapte er natuurlijk helemaal niets van, maar dat kon me niet zoveel interesseren. Ik had in ieder geval weer een reden gevonden om te lachen.

Als klapper op de vuurpijl hadden we een les ‘Hoe schrijf je een onderzoekssamenvatting in de Engelse taal zonder over te komen als een amateuristische Nederlander die geen woordje Engels kan’. Op het moment dat we om de beurt Engelse stukjes voor moesten lezen werd de strijd me te zwaar. In een opwelling vroeg ik in mijn hakkelige Engels of ik tien minuten eerder weg mocht om mijn trein te kunnen halen. En hoewel mijn leraar me aankeek alsof ik zojuist iemand vermoord had, kreeg ik toch toestemming.

Als een bezetene rende ik met mijn koffer door de straten van Amsterdam, met een missie: Ik moest en zou mijn trein naar Tilburg halen. Het moest! Flink bezweet en zwaar ademend kwam ik precies op tijd aan op het station. Na nog een paar zware sprintjes zag ik de trein naar me lonken. De strijd was gewonnen, en vol blijdschap en trots stond ik op het punt om in mijn stalen ros te stappen. Totdat ik een blik wierp op het mededelingenbord. Zag ik het nou goed? Ja, ik zag het goed. Mijn trein naar Tillburg reed niet verder dan Utrecht wegens een wisselstoring. Het triomfantelijke gevoel van een verse overwinning verdween abrupt. De strijd was verloren. Diepe zucht, de vrijdag.