Proefwerkweek. Een berucht fenomeen waar ik, Merel, volgende week weer aan moet geloven.

Zo’n één à twee weken van te voren begint de stress al aardig op te lopen. De leraren willen ons er aan het einde van elke les nog even vriendelijk aan herinneren dat het proefwerkweekpunt dubbel meetelt, en wensen ons opgewekt succes.
Ook de roostermaker heeft het er moeilijk mee. De klachten stromen binnen. Natuurkunde en economie op één dag? Dat kan écht niet! Op woensdag valt bovendien aardrijkskunde samen met kunst, en wat nou als je ook informatica hebt? Die arme man heeft het er maar zwaar mee. Naast de proefwerken zelf, moeten er surveillanten geregeld worden. En dan blijkt dat ook de leraren heel wat te wensen hebben; de ene heeft ADV, de ander heeft op dinsdag ‘mama-dag’, weer een ander een dochter die afstudeert. En ook zij hebben klachten, want wiskunde op vrijdag? Dat is veel te veel nakijkwerk voor in één weekend!

Terwijl de leerlingen hun roosters vergelijken, haastig nog drie hoofdstukken bijwerken, en ineens allemaal vragen hebben over de stof van een maand geleden; verwijzen leraren glimlachend naar de huiswerkbegeleidingshulp, de mentor, of zelfs de decaan. Ondertussen worden de uitroepen steeds wanhopiger… ‘Ik laat Biologie vallen volgend jaar, ik weet het zeker’, meent de helft van de klas. ‘Had ik maar een ander profiel gekozen’, heb ik al meerdere malen gehoord op de gang. En ook de ‘kan-ik-nog-naar-Havo?’-uitspraak is populair.

Eén troost: als na die week alles voorbij is, moeten de leraren aan de bak. Lekker ploeteren en alles zo snel mogelijk nakijken, om vervolgens bij (hopelijk) 30 graden ellenlange vergaderingen bij te wonen, punten invoeren, rapporten samenstellen, etc.
En wij? Wij liggen te bakken in de zon, en nemen het woord ‘proefwerk’ de komende 7 weken vooral niet in de mond.